De Kruisdraging van Bosch in het Museum voor Schone Kunsten Gent

Het Bosch Research and Conservation Project (BRCP) werd in 2010 opgericht met als doel de uitvoerige studie van het hele oeuvre van Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516). Met de meest geavanceerde technieken, op gestandaardiseerde wijze en in vergelijkbare omstandigheden, werden de meeste kunstwerken van Bosch onderzocht. Zes jaar onderzoek resulteerden in twee vuistdikke wetenschappelijke uitgaven: Jheronimus Bosch, schilder en tekenaar. Catalogue raisonné, en Hieronymus Bosch, painter and draughtsman. Technical Studies. En in de expo Jheronimus Bosch. Visioenen van een genie in het Noordbrabants Museum in ‘s-Hertogenbosch.

Het BRCP verwierp het auteurschap van enkele kunstwerken, andere werden dan weer wel aan de kunstenaar toegeschreven. Zo zijn de onderzoekers van het BRCP het erover eens dat De kruisdraging, een icoon van de collectie van het Museum voor Schone Kunsten in Gent (MSK), geen eigenhandig werk van Bosch is. Het MSK nuanceert die uitspraak en blijft De kruisdraging als een eigenhandig werk van de schilder beschouwen.

Het MSK nodigde Jos Koldeweij (BRCP), Griet Steyaert (onafhankelijk kunsthistorica en restauratrice), Maximiliaan Martens (professor aan de UGent) en Paul Vandenbroeck (wetenschappelijk onderzoeker bij het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen) op 17 februari uit voor een publiek debat. We zetten de argumenten van alle sprekers even op een rijtje en eindigen met de conclusie van het MSK.

Jos Koldeweij en het BRCP argumenteren dat De kruisdraging mogelijk een kopie naar een prototype van Bosch is. Het dateert uit circa 1530-1540, ruim na de dood van Bosch. Het BRCP formuleerde meer dan tien criteria.

  • De ondertekening (bestudeerd via infraroodreflectografie) is niet vergelijkbaar met deze van de andere aan Bosch toegeschreven werken. Daarenboven vond men tussen ondertekening en schildering geen verschillen. Bij andere werken zijn die verschillen veelvuldig aanwezig.
  • Een vergelijkende studie van morfologische details van figuren (zoals de afbeelding van oren, handen, gelaatsuitdrukkingen) wijst uit dat het om een andere kunstenaar gaat.
  • Aangezien er geen baard (verfophoping aan de randen van de picturale laag) werd gedetecteerd, concludeert men dat het paneel pas na de beschildering ingelijst werd. Bij vooraf ingelijste panelen, de standaardprocedure bij vijftiende-eeuwse schilderijen, is een verfbaard aanwezig. 
  • Lacune in het onderzoek: er is geen dendrochronologisch onderzoek (natuurwetenschappelijke methode waarbij men aan de hand van de jaarringen in het hout de panelen bij benadering dateert) op De kruisdraging uitgevoerd. Dit was door de staat van het werk niet mogelijk.

Griet Steyaert weerlegt enkele argumenten van het BRCP:

  • Het klopt dat men gaandeweg in de zestiende eeuw overschakelt van ingelijste naar niet-ingelijste panelen. Maar het bewijs dat De kruisdraging voor een losse lijst bedoeld was, kan volgens Steyaert niet hard gemaakt worden. Bij de restauratie in 1956-57 door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium werden houten latjes aan de randen toegevoegd om het paneel te kunnen inlijsten. Men kan niet uitsluiten dat het schilderij oorspronkelijk een onbeschilderde boord (met verfbaard) had. Evenmin kan men staven dat het werk in een lijst geschilderd is.
  • Bij het vergelijken van details als oren moet men rekening houden met de reële onderlinge verhoudingen en met de restauratiegeschiedenis van de werken. 
  • Steyaert betoogt dat de schriftuur (de geëigende toets van de schilder of zijn handschrift) van De kruisdraging en de De doornenkroning (National Gallery, Londen) zeer gelijklopend zijn. De wijze waarop onder andere de oren zijn geschilderd (nat-in-nat, hoogsels) doet Steyaert concluderen dat het om één en dezelfde hand gaat.
  • Steyaert restaureerde Het Laatste Oordeel uit de collectie van het Groeningemuseum in Brugge. Het schilderij werd door het BRCP als een eigenhandig werk geproclameerd. Steyaert meent dezelfde hand als in De Kruisdraging te herkennen.

Maximiliaan Martens weerlegt enkele argumenten van het BRCP:

  • Martens poneert dat kunstgeschiedenis geen exacte wetenschap is. Het is eerder een confrontatie van opinies die men zo goed mogelijk probeert te documenteren. Art history is an attempt to predict the past. (citaat naar John Oliver Hand, conservator bij de Washington Gallery of Art). Natuurwetenschappelijke onderzoeksmethodes hebben daar weinig aan veranderd. Onderzoeksresultaten moeten geïnterpreteerd worden en daarbij kan subjectiviteit nooit volledig worden uitgesloten. 
  • Martens maakte in 2009 ook zelf infraroodreflectogrammen van beide werken in Gent. Hieruit bleek dat de stijl van de ondertekening duidelijk verschillend is. De kruisdraging heeft een lineaire ondertekening en is pas goed zichtbaar in de delen die afwijken van de schildering. Dit wijst op het gebruik van een ontwerptekening. De Heilige Hiëronymus heeft een vrije ondertekening, waarbij sprake is van een creatief proces tijdens het schilderen zelf. In De dood van een vrek (National Gallery of Art, Washington) is sprake van nog een derde manier van ondertekenen, met drukke arceringen en veel wijzigingen. 
  • Martens betoogt hoe men eind jaren '80 tot het inzicht kwam dat men moet rekening houden met de functie van de ondertekening. Wie ondertekeningen uitvoert is niet noodzakelijk de schilder van het werk. Het is niet uitzonderlijk dat kunstenaars, in functie van de atelierpraktijk, verschillende stijlen van ondertekenen gebruiken. Martens wijst op drie verschillende stijlen van ondertekenen in het werk van Raphaël (1483-1520), werken waarvan het auteurschap niet in twijfel wordt getrokken. Ook bij Pieter Bruegel I (ca. 1525/30-1569) treft men eenzelfde werkwijze aan. In een bijzonder klein oeuvre zoals dat van Bosch is dit volgens Martens geen valabele reden voor een afschrijving.
  • Volgens het BRCP zouden composities met een close-up ten tijde van Bosch zelden voorkomen. Er bestaan nochtans verschillende vroegere, vijftiende-eeuwse voorbeelden. Martens verwijst onder andere naar de boekverluchter Simon Marmion (1420/25-1489) en een veertigtal kopieën naar de verloren gegane De Bewening van Christus van Hugo van der Goes (1440-1482). Bosch paste overigens zelf de dramatische close-up toe in De doornenkroning, een eigenhandig werk volgens het BRCP. 
  • Martens vergelijkt beide werken en wijst op de identieke manier waarop baard- en snorharen met loodwit zijn aangebracht. Maar ook op de sereniteit van de Christuskoppen en andere gelijkaardige details. Martens accepteert een tijdsverschil tussen beide werken (De kruisdraging kwam volgens hem later in de carrière van Bosch), maar ziet in beide dezelfde hand.

Paul van den Broeck weerlegt enkele argumenten van het BRCP:

  • Volgens Van den Broeck is Bosch ‘incompatibel met zichzelf'. Hij doelt daarmee op de enorme variatie binnen het oeuvre van Bosch en vergelijkt hem daarmee met een moderne kunstenaar die vrij zijn zin doet. Bosch maakte idiosyncratische werken. Hij lijkt zich in zekere zin te onttrekken aan de heersende beeldconventies van zijn tijd. 
  • Van den Broeck noemt Bosch ook een paradoxaal kunstenaar. De waarden en de normen die ten grondslag liggen aan zijn werk contrasteren met de wijze waarop hij die in beeld brengt. Bosch gebruikt vaak zogenaamde exempla contraria; hij toont aan hoe het niet moet.
  • Zelfs binnen eenzelfde werk, zoals als De tuin der lusten (Museo del Prado, Madrid), zijn er stilistische discrepanties tussen de drie verschillende luiken (open zijde).
  • Vandenbroeck vindt dan ook dat het geringe aantal overgeleverde werken en de enorme variatie binnen het oeuvre uitspraken over het auteurschap bemoeilijken. Omdat maar een fractie van zijn hele productie overgeleverd is kunnen we Bosch niet ten gronde kennen.

Conclusie van het MSK:

Het is de verdienste van het BRCP dat de schilderijen en tekeningen die traditioneel aan Jheronimus Bosch of zijn omgeving werden toegeschreven, elk afzonderlijk werden onderzocht. Bovendien zijn de meest recente onderzoeksresultaten voor iedereen online beschikbaar. Tevens werd met middelen van het project De heilige Hiëronymus prachtig gerestaureerd.

Niet voor het eerst wordt het auteurschap van De kruisdraging in twijfel getrokken; dat gebeurde reeds meer dan vier decennia geleden. Op basis van de beschikbare literatuur over De kruisdraging en rekening houdend met de bevindingen tijdens het debat, wil de directie van het museum benadrukken dat het schilderij hoe dan ook en onverminderd als één van de meest hallucinante scheppingen uit de Westerse kunstgeschiedenis moet beschouwd worden.

Het BRCP beschouwt De kruisdraging mogelijk als een kopie naar een prototype van Bosch, te dateren circa 1530-1540. Voor de andere experten op het debat en de museumdirectie blijven er evenwel voldoende argumenten over om in De kruisdraging de hand van Bosch te zien. De conclusie van museumdirecteur Catherine de Zegher luidt: ‘Op onze muurtekst blijft staan dat het om een werk van Bosch gaat'. Tegelijk plant het museum in de toekomst een conservatie- en restauratiebehandeling aan die nieuwe inzichten zal bieden. Met andere woorden: met het debat is over De kruisdraging niet het laatste woord gezegd.

QT Kunstwerken referenties

  • De kruisdraging - Jheronimus Bosch - 1510 - 1516
  • De heilige Hiëronymus - Jheronimus Bosch - 1500
De kruisdraging - Jheronimus Bosch - 1510 - 1516
1510 - 1516
olieverf op paneel
De heilige Hiëronymus - Jheronimus Bosch - 1500
1500
olieverf op paneel