Het laatste avondmaal

Kunstenaar: 
Dieric Bouts
Datering: 
1464 - 1468
Materiaal: 
olieverf op paneel
Afmetingen: 
150 cm x 180 cm
Inventarisnummer: 
S/58/B
Museum:
Museum M Leuven
Categorie:
Categorie A: Vlaamse primitieven
Subcategory:
15e eeuw Christussen Oude Testamenten
Trefwoord:
Religieuze voorstellingen
Formaat:
Veelluiken

In een eigentijds en burgerlijk interieur wordt het Laatste Avondmaal afgebeeld. De schilder koos voor een centraal standpunt, wat een strikt symmetrische compositie mogelijk maakt. De vloer is bezet met een gevarieerd patroon van geglazuurde tegels. In de bovenste helft van het schilderij zien we nagenoeg de volledige achter- en zijwanden van het vertrek. Een houten zoldering sluit de kamer bovenaan af. Tegen de achtermuur neemt een monumentale haard in witte steen de volledige hoogte van de kamer in. Hij is afgesloten met een houten paneel dat de beroete achterkant verbergt. Voor de haard hangt een koperen lichtkroon aan een katrol. De kamerwand links wordt doorbroken door twee spitsboogvensters met maaswerk. Ze bieden een doorkijk op een open plein met houten en stenen huizen en een groot bouwwerk met hoektoren. Rechts is het lokaal verbreed door een smalle ruimte, van de eigenlijke kamer gescheiden door twee gotische bogen die rusten op een centrale roodmarmeren zuil. Rechts van de schouw leidt een hoge open deur naar een afgesloten tuin. Op het timpaan boven de doorgang prijkt een beeldje van Mozes met de wetstafelen. In de gang fungeert een wandnis met waterketel als lavabo. De geprofileerde boog boven de nis rust aan beide uiteinden op het figuurtje van een man en een vrouw. Ze verwijzen naar Adam en Eva en drukken tegelijk een gevoel van huiselijke verbondenheid uit.

Christus zit met zijn leerlingen symmetrisch rond een haast vierkante tafel, die met een wit tafelkleed is bedekt. Een lang en smal doek van een andere witte stof ligt rondom om de tafelrand en doet dienst als servet. Centraal staat een tinnen schotel met een bruine saus, verwijzend naar het lam dat men gegeten heeft. Het tafelgerei bestaat uit diverse soorten glazen, messen, een zoutvaatje en een schenkkan in kristal met de wijn die na de hostie gezegend zal worden.

Petrus bevindt zich aan de rechterzijde van Christus, de handen eerbiedig gevouwen voor de borst. Johannes, gehuld in een witte mantel zit aan Jezus' linkerzijde en heeft de handen in gebedshouding. Hierdoor lijkt het alsof hij intens betrokken is bij de wijding van het brood. De apostel naast Johannes lijkt sterk op Christus en is Jacobus de Mindere, de zoon van een halfzus van Maria. Volgens de oude traditie wordt hij een broer van Christus genoemd. Deze apostel kijkt eveneens in de richting van de hostie en legt daarbij de handen op de tafel. Judas, Christus' verrader, bevindt zich - als naar gewoonte - aan de overkant van de tafel. Hij verbreekt het serene karakter van het geheel. Zijn grimmige gelaat vertoont brutale trekken en hij legt uitdagend de linkerhand in zijn lende. De overige apostelen kijken diverse richtingen uit en schijnen in beschouwing verzonken. Hun handen ondersteunen hun verwondering, eerbied of meditatie.

Op het tafereel herkennen we nog vier andere personages. De eerste staat met gevouwen handen recht achter Petrus en kijkt naar Christus' handen. Een tweede bevindt zich bij de aanrechtkast rechts, en de twee overige figuren kijken doorheen een doorgeefluik in de achterwand. Op het neergeklapte bord staan twee tinnen schotels met etensresten.

Over de opdracht zijn we goed op de hoogte via het contract dat bewaard is gebleven. De figuur rechts wordt vaak ten onrechte met Dieric Bouts vereenzelvigd. De vier personen zijn te identificeren als de meesters van de broederschap die met Bouts het contract voor de triptiek sloten, namelijk Erasmus van Baussele, Laureys van Wynge, Reynier Stoep en de bakker Stas Roelofs. De opdrachtgevers zijn niet knielend afgebeeld, zoals gebruikelijk, maar treden op als dienaars bij het avondmaal en als getuigen van de instelling van de eucharistie. Het vieren van de eucharistie vormde overigens de specifieke devotie van de broederschap.

De taferelen op de zijpanelen zijn bedoeld als voorafbeeldingen van het Laatste Avondmaal en van de eucharistie, en gaan dus chronologisch en inhoudelijk het middentafereel vooraf. Ze voorspellen dit niet alleen, maar verklaren het ook.

Op het linkerluik (boven) staat de ontmoeting van Abraham en Melchisedech afgebeeld. Het verhaal is ontleend aan het boek Genesis (14, 18-20). Melchisedech, koning van Salem en priester van de Allerhoogste, biedt nabij de poorten van Salem brood en wijn aan aartsvader Abraham aan, na diens overwinning op Kedorlaomer. De eerstgenoemde is links op de voorgrond voorgesteld, uitgedost als een vorst. De wijn bevindt zich in een kostbaar kruikje in bergkristal. Met een elegante kniebuiging neemt Abraham voedsel en drank in ontvangst, terwijl hij een groetend gebaar maakt. Als strijder draagt hij een wapenrok, een harnas en een zwaard. Achter Melchisedech bevindt zich een man met een punthoed, in zijn linkerhand de scepter van de vorst. Uit eerbied omvat hij die met een lang geel doek. Abraham wordt bijgestaan door een krijger met een lans en dolk. Het leger van Abraham wacht op het achterplan geduldig tussen de rotsen en heuvels. De knaap vooraan houdt het paard van de afgestegen bevelhebber vast. De twee personages in het zwart, op de achtergrond links, worden aangezien als Varenacker en Bailluwel, Bouts' raadgevers, die de iconografie vastlegden.

Het onderste tafereel toont het paasmaal van de Joden. In een eigentijdse kamer schaart een Joodse familie zich rechtstaand rond de tafel om het paaslam te nuttigen. (Exodus 12, 1-28). Het gebraden dier ligt op een grote schaal. Rond de schaal bemerken we kleine broodjes, gemaakt zonder gist, evenals de bittere kruiden uit de bijbeltekst - gelijkend op wilde latuw. De centrale figuur met jodenhoed en met een kleed en mantel in het rood, ontvleest het lam. Door de wijze van vasthouden toont hij het ook nadrukkelijk aan de toeschouwer. Het dier is een voorafbeelding van Christus. Hij snijdt het voorzichtig, want de beenderen mochten niet worden gebroken.

Op het rechtse paneel (boven) wordt het manna voorgesteld. Het verhaal van de mannaregen speelt zich af tijdens de tocht van de Joden door de woestijn op weg naar het beloofde land (Exodus 16, 2-36; Numeri 11, 6-9). Bouts situeert het gebeuren in een rotsachtig landschap, bij het aanbreken van de dageraad, een bravourestukje. Het manna moest opgeraapt worden voor de zon opkwam, anders zou het wegsmelten door de warmte. In een lichtende wolk verschijnt Jahweh als beschermer van zijn uitverkoren volk. Op de voorgrond verzamelen een vrouw en twee mannen geknield het manna in kruiken of mandjes. Ze zijn allen rijk gekleed. Beide mannen mogen wellicht met Mozes en Aaron worden vereenzelvigd, de hoofdfiguren van het verhaal. De laatstgenoemde moest een kruik vullen die voor het nageslacht in de Ark van het Verbond diende bewaard te worden.

Op de onderste helft van het paneel wordt Elias door de engel gevoed. De bron van de uitbeelding is het Eerste Boek Koningen (19, 1-8), dat het relaas bevat van de profeet die, om zijn leven te redden, naar de woestijn vlucht. Tijdens zijn slaap wordt hij gewekt door een engel, die hem verzoekt te eten van het brood en te drinken van de kruik met water die hij heeft meegebracht. De schilder interpreteert de passage letterlijk. Het hoofd van de slapende Elias rust op zijn linkerhand. Bij zijn hoofd bevindt zich het voedsel: een aardewerken beker met daarop een brood. Een schitterende witte engel treedt zacht naderbij en wekt de profeet door een voorzichtig handgebaar. Vanaf het voorplan voert een slingerende weg naar een met grillige rotsen bezaaide hoogte. We herkennen daar nogmaals Elias die, nu gesterkt door het hemelse voedsel, een tocht van veertig dagen en nachten aanvangt, tot hij uiteindelijk de godsberg Horeb zal bereiken, waar Jahweh verschijnt. Het landschap is desolaat en evoceert de woestijn uit de bijbeltekst.