Sint-Salvatorskathedraal Brugge

De Sint-Salvatorskathedraal draagt de titel van kathedraal sinds de heroprichting van het bisdom Brugge in 1834. Toch wordt dit bedehuis nog vaak de Sint-Salvatorskerk genoemd. De Sint-Salvatorskathedraal in Brugge bezit een zeer rijk en gevarieerd kunstpatrimonium. Bepaalde kunstwerken werden speciaal voor deze kerk vervaardigd. Andere kwamen eerder toevallig in de huidige Sint-Salvatorskathedraal terecht. Tijdens de Franse Revolutie werden heel wat religieuze gebouwen openbaar verkocht of, al dan niet gedeeltelijk, gesloopt. Dit was het geval voor de Sint-Donaaskathedraal, de Eekhoutabdij, de Sint-Trudoabdij en verschillende kloosters (o.a. de augustijnen en de predikheren). Veel van het kunstbezit kwam in de Sint-Salvatorskerk, de oudste parochiekerk van Brugge, terecht.

De Brugse aristocraat Joseph van Huerne leverde een uitzonderlijke bijdrage. Als groot kunstliefhebber kocht hij tijdens de openbare verkoop van de door de Franse overheid in beslag genomen kerken en kloosters, tientallen werken op. Nadat deze kunstwerken eerst een plaats vonden in zijn aanzienlijke privécollectie, werd een groot deel teruggeschonken aan enkele heropende bidplaatsen. De Sint-Salvatorskerk genoot hierbij duidelijk zijn voorkeur.

De meest waardevolle zaken kregen een onderkomen in de Schatkamer van de kathedraal. Deze Schatkamer bevindt zich in het voormalig kapittelgebouw: een vierkantig pand rond een binnentuintje tegen de zuidzijde van de kathedraal. Het werd in 1912 ter vervanging van een ouder kapittelgebouw opgetrokken, met als bedoeling de kanunniken van de kathedraal van de nodige werkruimtes te voorzien. Het interieur werd in neogotische stijl versierd. Na de Tweede Wereldoorlog verloor het gebouw zijn eigenlijke functie. Men bracht er een deel van de collectie van de kathedraal in onder.
Rond de eeuwwisseling werd dit kapittelgebouw volledig gerestaureerd en de collectie in een nieuwe opstelling voorgesteld..

In de collectie van de Sint-Salvatorskathedraal en de Schatkamer bevinden zich een 12-tal schilderijen van de Zuidelijke Nederlanden, gemaakt tussen 1400 en circa 1530. Een van de topstukken is de Marteling van de Heilige Hippolytus van Dierc Bouts en Hugo van der Goes. Dit drieluik bevindt zich al van oudsher in de kathedraal. Het zou door Karel Berthoz, de zoon van de schenker, aan het ambacht der kalkdragers gegeven zijn, maar dat werd later betwist. In ieder geval wordt het schilderij vermeld in de kerkinventaris uit het einde van de 17e eeuw (Voyage pittoresque van J.-B. Deschamps). Het bevond zich toen in de kapel van de kalkdragers in de zuidbeuk, zij het dat het toen nog werd toegeschreven aan Hans Memling.

Twee werken staan rechtstreeks in verband met de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. De Broederschap werd in 1493 gesticht door pastoor Jan van Coudenberghe onder de hoge bescherming van Filips de Schone.
Moeder van Smarten, toegeschreven aan Jan van Eekele, zou een kopie zijn van een werk van Quinten Massijs. Waarschijnlijk betreft het hier het paneel dat Jan van Coudenberghe in 1494 aan bovenvermelde Broederschap schonk.
Ook het Portret van Keizer Karel, een kopie van een verloren origineel van Barend van Orley, is gerelateerd aan deze broederschap en hing oorspronkelijk in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën, waarin de gelijknamige broederschap gevestigd was.

Het anonieme Portret van graaf Karel de Goede is afkomstig uit de voormalige Sint-Donaaskathedraal. Het stond er in de 17e eeuw op de koortribune, de plaats waar Karel de Goede in 1127 vermoord werd. Voor de sloop van de Sint-Donaaskathedraal in1800 werd het beeld in verzekerde bewaring gebracht en in 1804 aan de Sint-Salvatorskerk gegeven.

Een ander Portret van Karel de Goede (gouache op papier), waarop de graaf in profiel in buste wordt voorgesteld, is eveneens afkomstig van de Sint-Donaaskathedraal. De afbeelding bevond zich in het reliekschrijn van de graaf. In 1804 kwam het koffertje met de relieken en het portret in het bezit van de Sint-Salvatorskerk. In 1957 werd het portret uit het schrijn gehaald en in een nieuwe kader geplaatst.

Een aantal werken werden door privépersonen aangekocht en geschonken aan de Sint-Salvatorskathedraal, onder meer Kalvarie met de H. Katarina en Barbara van een anonymus. Dit paneel, ook bekend als het Huidenvetterspaneel, zou afkomstig zijn van het ambacht van de huidenvetters en werd begin 19e eeuw door J. Vermeire verworven in een openbare veiling en aan de kerk geschonken (J. Gailliard, Ephémérides, 169). J. Vermeire liet het hier niet bij. Ook het paneel Christus aan het kruis met Maria en schenker van een anonymus werd door dezelfde J. Vermeire gedoteerd. (Inventaris uit 1846 (nr. 5) en J. Gailliard , Ephémérides, 162)
Het drieluik Opdracht in de tempel dat aan Adriaen Isenbrandt toegeschreven is, werd door de hierboven reeds aangehaalde J. van Huerne geschonken.

Van de andere panelen is de herkomst niet bekend. Van de Kruisafneming, een kopie naar een verloren werk van Rogier van der Weyden, zijn meer dan 150 kopieën bekend. Verschillende daarvan bevinden zich in Brugge, waardoor kan aangenomen worden dat het oorspronkelijke werk zich ook in deze stad bevond. Deze werkjes vielen ongetwijfeld in de smaak van de vele kooplieden die in Brugge aanwezig waren. De paneeltjes werden in de 15e en 16e eeuw samen met andere luxeproducten zoals edelsmeedwerk en wandtapijten te koop aangeboden in het Brugse Pandreitje. Waarschijnlijk kwam een exemplaar op die manier in de kerk terecht.
Evenmin is de herkomst bekend van de Kruisdraging, Calvarie, Bewening van Christus door de Meester van de Brugse Passietaferelen.
De twee anonieme taferelen Maria, Johannes en de heilige vrouwen bij het kruis en Soldaten bij het kruis zijn de zijluiken van een verdwenen middenpaneel. Ook voor deze werken is de herkomst nog niet achterhaald. Hetzelfde kan gezegd worden over het anonieme De legende van de heilige Anna.

Dirk Desmet