M Leuven

                                                     

Een achttiende-eeuws rariteitenkabinet in het Leuvense stadhuis ligt aan de basis van de huidige museale werking. Het eerste museum vond in 1823 een onderkomen op de tweede verdieping van het Leuvense stadhuis. Ongeveer een eeuw later werd de collectie verhuisd naar de voormalige privéwoning van burgemeester Leopold Vander Kelen. Dankzij een aantal belangrijke schenkingen groeide de voornamelijk historische verzameling uit tot een volwaardige collectie die een overzicht biedt van de kunstproductie in Leuven en in Brabant vanaf de middeleeuwen tot heden. De conservatoren versterkten de verzamelingen en de uitbouw van het museumprofiel. Het accent verschoof geleidelijk aan van het historische over het encyclopedische naar het religieuze. In de jaren 1990 werd het burgerlijke op de voorgrond geplaatst.
Tot in 2006 was er een permanente opstelling schone en toegepaste kunsten in het voormalige ‘Hôtel Vander Kelen'. Ingrijpende verbouwingen vanaf eind 2006 maakten van het oude museum een museum van de eenentwintigste eeuw.

De zogenaamde Vlaamse primitieven zijn ook in de M-collecties vertegenwoordigd. Schilderijen die ontstaan zijn in de vijftiende en de zestiende eeuw zijn via verschillende wegen in de collectie terechtgekomen: als deel van het oorspronkelijke stedelijke patrimonium, vlak voor, tijdens en na de Franse overheersing en door de inspanningen van de respectieve conservatoren, die via legaten, schenkingen, bruiklenen en aankopen de collectie uitbreidden en versterkten.

Bestellingen door stadsmagistraten, (religieuze) instellingen en privépersonen

De M-collectie is in hoofdzaak historisch gegroeid binnen de stedelijke context. De kunstwerken en objecten zijn ontstaan in stedelijke ateliers en/of hebben gefungeerd binnen het gegeven van bestuurlijke, kerkelijke en/of caritatieve en educatieve instellingen. Soms werden ze door privépersonen en -verenigingen besteld. Het Leuvense museum hangt een beeld op van het mecenaat en de collectievorming binnen de stad, en van de rol van kunstwerken als objecten voor representatie en prestige. In de Leuvense kunstproductie zijn eveneens de aanwezigheid en de evolutie van bepaalde specifieke thema's goed te volgen. Een voorbeeld is het thema van de devotie in het Leuvense en in Brabant.

Anoniem, Edelheeretriptiek (middenpaneel), M Leuven

Binnen deze context behoorden een aantal 15e- en 16e-eeuwse paneelschilderijen van bij hun ontstaan tot het stedelijk patrimonium. De werken van Dieric Bouts die zich vandaag in Leuven bevinden, behoren tot deze categorie. Andere bekende voorbeelden zijn het Altaarvoorhangsel met de verrezen Christus (anoniem, circa 1480), de oudste bekende kopie naar Rogier van der Weydens Kruisafneming, de zogeheten Edelheeretriptiek (anonieme Brabantse/Leuvense meester, ca. 1443), en het topstuk de Uur- en kalenderwijzerplaat (anonieme Leuvense meester, circa 1500).

Een rariteitenkabinet en een kunstverzameling

Het Leuvense stadhuis herbergde vanaf de 18e eeuw een rariteitenkabinet. Het gaat om een aantal merkwaardige voorwerpen die te maken hebben met de geschiedenis van de stad of die zijn vervaardigd op last van haar bestuurders. Ze zijn samengebracht volgens de toen heersende smaak. Het originele ontwerp op perkament voor de toren van de Sint-Pieterskerk van Jan Massijs (1505-1507) is een voorbeeld.

Tijdens de Franse overheersing (1795-1815) fungeert Leuven als kunstdepot voor de opgeëiste kunstvoorwerpen uit de kantons Leuven, Tienen, Diest, Zoutleeuw en voor de kunstwerken uit de kloosters van Nethen, Florival en ‘s Hertogendaal, en de abdijen van La Ramée en Averbode. Slechts een deel van de in Leuven bijeengebrachte werken wordt zoals gepland naar Brussel en Parijs overgebracht. Enkele belangrijke kunstwerken blijven in Leuven, zoals bijvoorbeeld de Heilige Drievuldigheid van het atelier Van der Weyden, oorspronkelijk gemaakt voor een van de kapellen van de Leuvense Sint-Pieterskerk. Het spreekt vanzelf dat de stedelijke collectie hierdoor snel uitbreidt en dat deze aangroei van het patrimonium een degelijke organisatie vraagt. Daarom besluit de stad in 1823 een afzonderlijk Museum voor Schilderijen in te richten op de tweede verdieping van het stadhuis.
De collectie heeft op dat moment nog geen vaste vorm. Verschillende religieuze werken worden in deze periode terug in bruikleen gegeven aan opnieuw opengestelde kerken. Tegelijkertijd worden enkele interessante schenkingen aan de verzameling toegevoegd. De stad Brussel geeft bijvoorbeeld een belangrijke verzameling van 57 schilderijen in bruikleen aan het nieuwe museum. Professor Van Leempoel, beheerder van het patrimonium van de universiteit, schenkt onder meer Twee belastingontvangers van een navolger van Marinus van Reymerswale (circa 1540).

De conservatoren

                        

De conservatoren geven het stedelijk museum vanuit hun persoonlijke interesses en voorkeuren een wisselend karakter. Onder hun impuls ontvangt het museum allerhande schenkingen en legaten, vooral van Leuvenaars, en bruiklenen. De Commissie van Openbare Onderstand en de Belgische staat zijn de eersten die belangrijke werken in bruikleen geven. Enkele mooie voorbeelden zijn De legende van de heilige Kwinten van een onbekend meester (1537), een na de Tweede Wereldoorlog door de Belgische staat gerecupereerd werk en het drieluik met de Maagdschap van de heilige Anne (anoniem, 1520-1530),uit de collecties van het O.C.M.W.

Conservatoren Edward Van Even (1821-1905) en Victor Demunter (1858-1939) zijn zeer bepalend geweest voor de inhoud van de verzameling. Door zijn persoonlijke interesse voor de geschiedenis van de stad en door zijn grote kennis van het rijke archief, is Van Even in staat het Museum voor Schilderijen uit te bouwen tot een volwaardig historisch stadsmuseum. Hij hecht er veel belang aan dat naast de waardevolle kunstwerken ook historische documenten en objecten van eerder lokaal belang in de opstelling worden opgenomen. Door deze aanvullingen verviervoudigt hij spoedig het aantal stukken in de verzameling. Van Even is de eerste die inventariseert en die onderzoek doet naar de herkomst en de historische waarde van de beschikbare objecten. Een van zijn meest ophefmakende ontdekkingen betreft de originele opdracht voor het meesterwerk het Laatste Avondmaal van Dieric Bouts. Door dit document kan het schilderij onomstotelijk aan de meester worden toegeschreven.
Na de dood van Edward van Even volgt zijn goede vriend Victor Demunter hem op als conservator. Als bemiddeld man kan hij in de loop der jaren een eigen aanzienlijke kunstverzameling bijeenbrengen. Demunter adviseert ook bij de kunstaankopen van de stad en van de in 1930 opgerichte Les amis du musée de Louvain. De vriendenvereniging koopt voornamelijk werk van belangrijke eigentijdse kunstenaars.

Bij het overlijden van Demunter krijgt het museum de belangrijkste schenking uit haar geschiedenis. Deze schenking behelst de kunstverzameling van Edward van Even, door Demunter in 1911 van Van Evens zusters Eugenia en Maria geërfd. Victor Demunter zelf verzamelt objecten omwille van hun esthetisch en kunsthistorisch belang. Werken van onder meer Quinten Massijs, Cornelius de Vos, Frans Francken II, Joost de Momper, Theodoor van Loon en Gaspar de Crayer tonen dit aan.

Jan Crab (conservator van 1962 tot 1980) zet de bruikleenpolitiek van Demunter met succes verder. De veranderde opvatting over het kerkinterieur na het Tweede Vaticaans Concilie helpt hem hierbij. Door zijn toedoen worden in het Leuvense talrijke kunstwerken en kerkmeubilair van de vernieling of verkoop gered. Kerken, kapellen en kloosters uit Leuven en omgeving staan hun kunstwerken af als bruikleen. Dit betekent een verrijking, voornamelijk voor de collectie religieuze stukken uit de 15e en de 16e eeuw. De collecties glasramen, textiel en zilver groeien rijkelijk aan. In deze periode komen eveneens de kunstwerken van het O.C.M.W. in bruikleen in de museale collectie door toedoen van conservator Paul-Victor Maes. Vooral de verzameling Brabantse beeldsnijkunst uit de late middeleeuwen krijgt groot belang omwille van haar volledigheid.

Het koor van de Sint-Pieterskerk huisvest vanaf 1980 het "Museum voor Religieuze Kunst", met onder meer twee meesterwerken van Dieric Bouts: het Laatste Avondmaal en de Marteling van de Heilige Erasmus. De inrichting, presentatie, bewaring, bewaking en beheer van het museum vallen onder de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen.

Het stadsbestuur van Leuven viert tijdens het feestjaar 1998 de 550e verjaardag van de eerstesteenlegging van het stadhuis. Men krijgt op dat moment de kans om het stedelijk patrimonium te verrijken met de Passietaferelen van Christus van een onbekend Brabants, waarschijnlijk Brussels, kunstenaar en met de Geseling en de Calvarie uit de omgeving van Albrecht Bouts, Dierics jongste zoon. Het museum kiest hiermee voor het opnieuw aanknopen met de meest oorspronkelijke, meest eigen en meest rijke kern van de stedelijke collectie: de laatgotische schilder- en beeldhouwkunst.

Veronique Vandekerchove