Jan Gossaert

Jan Gossaert is de eerste kunstenaar uit de Nederlanden van wie bekend is dat hij naar Rome reist om de klassieke kunst te bestuderen. Hoewel de invloed van dit verblijf na zijn terugkeer niet onmiddellijk blijkt uit zijn kunst, heeft hij grote invloed op zijn tijdgenoten en wordt hij vaak als eerste renaissancekunstenaar of ‘romanist' van de Nederlanden beschouwd. Zijn belangrijkste mecenas is Philips van Bourgondië, maar hij ontvangt ook opdrachten van Margaretha van Oostenrijk, Karel V, Adolf van Bourgondië en Mencía de Mendoza. Ongeveer de helft van zijn oeuvre bestaat uit portretten, het genre waarin hij uitzonderlijke en vernieuwende resultaten boekt.

1478

Jan Gossaert wordt geboren in Maubeuge. Dit geboortejaar is afgeleid van een portrettekening van Reinier Snoy van Gouda waarop staat dat de maker "Malboius" in 1528 50 jaar oud was. Dat het hier om Jan Gossaert gaat, kan worden afgeleid uit de gelatiniseerde naam Malbodius die hij in een later stadium van zijn leven gebruikt. Ook Karel van Mander bevestigt later in zijn Schilder-boeck dat Gossaert uit Maubeuge komt. De tekening van Gossaerts hand is niet langer bekend, maar Arnold Buchelius beschrijft in 1623 de tekening die hij met eigen ogen heeft gezien.

1503

In 1503 wordt "Jennyn van Henegouwe" als meester bij het Antwerpse Sint-Lucasgilde ingeschreven. Dat het hier mogelijk om Jan Gossaert gaat, wordt afgeleid uit zijn geboorteplaats Maubeuge, dat in Henegouwen ligt.
Over de periode die hieraan voorafgaat is niets bekend. Op stilistische gronden is wel beweerd dat Gossaert in Brugge is opgeleid. Ook Brussel en Antwerpen zijn genoemd als opleidingsplaats. Voor geen van deze veronderstellingen bestaan bewijzen.

1505-1507

De meester "Jennyn van Henegouwe" neemt in 1505 Hennen Mertens (mogelijk Jan Mertens) en in 1507 Machiel in't Swaenken aan als leerling.
Aan deze vroege periode uit het leven van Gossaert kunnen alleen enkele tekeningen worden verbonden die hij signeert met IIENNING.OSAR (Het Mystieke huwelijk van de heilige Catharina, Statens Museum for Kunst, Kopenhagen) en ANWER IENNI (Keizer Augustus en de Tiburtijnse sibylle, Kupferstichkabinett der Staatlichen Museen, Berlijn). Schilderijen uit deze periode zijn niet overgeleverd. De tekeningen maken duidelijk dat de kunstenaar in deze periode werkte in de stijl van het Antwerpse maniërisme.

1508-1509

Gossaert vertrekt op 26 oktober 1508 vanuit Mechelen in het gevolg van Philips van Bourgondië, de jongste bastaardzoon van Philips de Goede en admiraal van de zee, naar Rome, waar ze op 14 januari 1509 arriveren. Tijdens deze diplomatieke missie was het Philips taak om de meningsverschillen met de Paus rondom de benoemingen van de hoge geestelijken, op te lossen. Gossaert heeft volgens Gerrit Geldenhouwer - de biograaf van Philips van Bourgondië - de antieke monumenten voor de kunstminnende vorst vastgelegd. Gossaert is daarmee de eerste kunstenaar uit de Nederlanden die naar Rome reist en de antieke en Italiaanse kunst bestudeert. Uit een verslag van 22 juni 1509 aan Margaretha van Oostenrijk blijkt dat Gossaert als enige van de deelnemers van de missie achterblijft in Rome om verder te werken aan schetsen voor Philips. Het is onduidelijk hoelang Gossaert in Rome blijft. Twee schetsen die gemaakt zijn in Rome, zijn Colosseum (Kupferstichkabinett der Staatlichen Museen, Berlijn) en Staande Hercules (voorheen collectie Lord Wharton, Londen).

Eind 1509

Een zekere "Janin de Waele" wordt ingeschreven in het broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe in Middelburg. Het is onduidelijk of het hier om Jan Gossaert of "Jennyn van Henegouwe" gaat. Philips van Bourgondië vestigt zich na terugkomst uit Rome in slot Souburg, vlakbij Middelburg. Het is onduidelijk of Gossaert op dat moment in dienst is van Philips. In ieder geval is hij vrij om opdrachten van anderen aan te nemen.

1509-1516

Uit deze periode zijn geen gegevens bekend. Er zijn geen gedateerde werken en weinig gesigneerde werken die in deze periode worden geplaatst. Het is opvallend dat in deze werken niet de invloed van zijn Rome-reis is terug te vinden en het Antwerpse maniërisme ook niet langer nadrukkelijk aanwezig is. Door de meeste wetenschappers worden onder andere De Aanbidding (National Gallery, Londen), het Malvagna-drieluik (Galleria Regionale della Sicilia, Palermo), het Doria-diptiek (Galleria Doria Pamphilj, Rome) en de Heilige Lucas tekent de Maagd (Narodni Galerie, Praag), tot deze periode gerekend.

In deze periode heeft Gossaert mogelijk de Venetiaanse kunstenaar Jacopo De'Barbari op Slot Souburg ontmoet. Geldenhouwer wekt in de biografie van Philips van Bourgondië de indruk dat deze kunstenaars samen aan kunstwerken voor deze residentie hebben gewerkt, maar hierover is niets met zekerheid bekend. Geldenhouwer noemt hen de Apelles en Zeuxis van hun tijd.
Mogelijk verbleef Gossaert in 1513 aan het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen en ontmoette hij daar Antonio Siciliano, de opdrachtgever van het Doria-diptiek.

Volgens een recente hypothese [Ainsworth 2010] werkt Gossaert in deze periode samen met Gerard David. De hand van David wordt in het linkerluik van het Doria-diptiek, in De Aanbidding en in het Malvagna-drieluik herkend. Voor het rechterluik van het Doria-diptiek zou Gossaert hebben samengewerkt met een landschapskunstenaar.

1516

In maart krijgt Gossaert 15 ponden uitbetaald voor zijn bijdrage aan de ontwerpen van de triomfwagen voor de rouwplechtigheid van Ferdinand van Aragon. De triomfwagen is volgens Geldenhouwer in nauw overleg met Philips van Bourgondië ontworpen. Mogelijk kunnen twee schetsen van mannen in wapenuitrusting in verband gebracht worden met de triomfwagen (Kupferstichkabinett, Dresden en Staedelsches Kunstinstitut, Frankfurt am Main).
Gossaert reist met Philips naar Brussel om de plechtigheid bij te wonen. Daar krijgt hij de opdracht van Karel V om twee portretten van Eleonora van Oostenrijk te schilderen.

In dit jaar schildert Gossaert ook zijn eerste gedateerde schilderij Neptunus en Amphitrite (Gemäldegalerie, Staatliche Museen, Berlijn) voor Philips. Het ongebruikelijke mythologische onderwerp, de wijze waarop de naakten zijn voorgesteld met veel nadruk op de individuele spieren en de klassieke architectuur geven dit kunstwerk een onmiskenbaar renaissancistisch karakter. Karel van Mander noemt hem later een van de eerste kunstenaars die de juiste manier van schilderen naar de Nederlanden heeft gebracht.

Vanaf 1516 gebruikt Gossaert alleen nog de gelatiniseerde naam "JOANNES MALBODIUS".

1517

Philips van Bourgondië wordt bisschop van Utrecht. Hij verlaat Slot Souburg en vestigt zich in kasteel Wijk bij Duurstede. Daar blijft hij wonen tot zijn dood in 1524. Gossaert verhuist met hem mee en krijgt verschillende opdrachten ter decoratie van dit kasteel. Gossaert krijgt opdrachten die voortvloeien uit het nieuwe ambt van zijn mecenas. De kunstenaar ontwerpt waarschijnlijk twee zegels (het grootzegel en het zegel "ad causas") en wordt betrokken bij twee opdrachten voor de Dom van Utrecht.

In dit jaar schildert Gossaert Hercules en Deianira (The Barber Institute of Fine Arts, University of Birmingham) en Diptiek van Jean Carondelet (Musée du Louvre, Parijs). In het eerstgenoemde schilderij zet Gossaert de vernieuwingen die hij in Neptunus en Amphitrite had ingezet door. In het diptiek volgt hij een meer conservatieve koers.

1517-1518

Volgens Van Mander wordt Jan van Scorel leerling van Gossaert. Hij zou het echter niet lang volhouden bij de meester, want - zo vermeldt Van Mander - Gossaert leeft een te losbandig bestaan, dat Van Scorel veel geld kostte en zelfs in een levensbedreigende situatie terecht deed komen. Waarschijnlijk is de informatie die Van Mander verstrekt niet helemaal correct. Scorel was waarschijnlijk geen leerling van Gossaert, maar heeft hem misschien bezocht. Scorel vertrekt in 1518 naar Italië.

1520

In 1520 beschrijft Albrecht Dürer een altaarstuk dat door Jan Gossaert werd geschilderd voor de Premonstratenzer abdij van Middelburg. Uit deze reis naar de Zeeuwse stad die Dürer speciaal onderneemt om dit veelluik te zien, blijkt de grote bekendheid en roem van het kunstwerk en de kunstenaar. Ook Karel van Mander schrijft over dit werk: "het besonderste vermaertste stuck van hem [Gossaert] ghedaen / is geweest d'hoogh Altaer-tafel te Middelbourgh / een seer groot stuck met dobbeldeure / die men in 't open doe om de grootheyt met schage most onderstelle". Aangezien Dürer het veelluik in 1520 ziet, moet het daarvoor geschilderd zijn. Het altaarstuk ging tijdens een brand ontstaan in 1568 verloren.

22 juli 1522

Gerrit Geldenhouwer informeert namens Gossaert bij Frans Cranevelt naar een recept voor het maken van zuur waarmee koperplaten kunnen worden geëtst. Waarschijnlijk onder invloed van het bezoek van Albrecht Dürer aan de Nederlanden experimenteert Gossaert met etsen en de prentkunst. Van zijn hand zijn nog vier of vijf prenten en vijf prenten naar zijn ontwerp bekend. De nog bekende prenten die met zekerheid aan Gossaert worden toegeschreven, zijn gemaakt met ijzeren en niet met koperen platen.

1523

Gossaert werkt voor Margaretha van Oostenrijk. Hij restaureert verschillende schilderijen. Hij verblijft in deze periode bij de beeldhouwer Conrad Meit, die hofkunstenaar is van Margaretha van Oostenrijk en in Mechelen woont. Meit heeft een grote invloed gehad op Gossaerts portretkunst.

1524-1533

Uit deze periode stammen vele voorstellingen van Maria en Kind. Van dezelfde composities zijn verschillende versies bekend.

7 april 1524

Philips van Bourgondië overlijdt. Gossaert raakt daarmee zijn belangrijkste opdrachtgever kwijt. In de periode dat Gossaert in dienst was van de bisschop is hij volgens Van Mander erg beroemd geworden. De kunstenaar blijft vele opdrachten van hooggeplaatste figuren ontvangen, zoals onder andere van Adolf van Bourgondië, koning Christiaan II van Denemarken, Hendrik III van Nassau en zijn vrouw Mencía de Mendoza. Voor Adolf van Bourgondië schildert hij het portret van zijn echtgenote Anna van Bergen als Maria met haar zoon op haar arm (The Metropolitan Museum of Art, New York).

1526-27

Lucas van Leyden bezoekt Gossaert in Middelburg. Samen bezoeken ze Mechelen, Gent en Antwerpen.

1527

Gossaert schildert Danaë (Alte Pinakothek, München; gedateerd en gesigneerd IOANNES MALBODIVS PINGEBAT 1527). Dit is het enige mythologische werk dat Gossaert maakt na de dood van Philips van Bourgondië.

Uit dezelfde periode stammen verschillende kunstwerken met dezelfde compositie, die een interessant aspect van het oeuvre van Gossaert aan het licht brengen. Met uitzondering van de twee leerlingen die in Antwerpen bij "Jennyn van Henegouwe" in de leer gingen en Jan van Scorel die volgens Van Mander korte tijd bij Gossaert verbleef, zijn er geen documenten bewaard gebleven die er op duiden dat de kunstenaar een werkplaats heeft gehad. Op basis van de verschillende versies van dezelfde compositie, hebben veel auteurs de conclusie getrokken dat de meester in deze laatste periode van zijn leven een werkplaats moet hebben gehad. Het grote kwaliteitsverschil en onderlinge verschillen in compositie lijken er echter op te wijzen dat deze kopieën niet onder toezicht van Gossaert zijn gemaakt.

1530

Gossaert ontvangt vanaf 1530 tot zijn dood viermaal per jaar een toelage van markiezin Mencía de Mendoza. Het is uitzonderlijk dat een kunstenaar jaargeld ontvangt.

1531

Het jongst gedateerde werk dat overgeleverd werd, is  (The Cleveland Museum of Art, Ohio). Het is 1531 gedateerd.

1532

Jan Gossaert overlijdt tussen 12 september en 13 oktober 1532. Dit kan worden afgeleid uit documenten waarin Mencía de Mendoza de kunstenaar een deel van zijn jaargeld uitkeerde.

Al in de 16e eeuw wordt Gossaert door verschillende auteurs (Dominicus Lampsonius, Lodovico Giucciardini, Giorgio Vasari, Marcus van Vaernewijck en Johannes Molanus) opgenomen in hun geschriften. Allen stellen dat de kunstenaar de renaissance naar de Nederlanden bracht en vermelden zijn grote bekendheid.

Anne van Oosterwijk

QT Kunstwerken referenties