Hans Memling: biografie

Inleiding

Hans Memling was één van de belangrijkste Vlaamse primitieven. In zijn dertig jaar lange carrière voerde hij verschillende vernieuwingen door in zijn kunst en had hij zowel in binnen-als buitenland een groot clientèle. Als Memling in 1494 sterft, wordt hij op grote schaal nagevolgd. Dit zal tot in de zestiende eeuw voortduren. Over Hans Memling is weinig bekend. Wel zijn er in verhouding tot andere vijftiende-eeuwse kunstenaars veel werken van Memling bewaard gebleven. Zijn levenspad moet daarom gereconstrueerd worden aan de hand van de enkele documenten en eigentijdse geschriften, maar vooral aan de hand van zijn kunstwerken.

Het begin van Memlings carrière

Memling wordt op zijn laatst in 1440 in Selingstadt in het huidige Duitsland geboren. Hij gaat waarschijnlijk al op jonge leeftijd bij een onbekende Keulse meester in de leer. Zijn leertijd vervolmaakt hij vermoedelijk bij Rogier van der Weyden. Dit kan worden afgeleid uit enkele bronnen. Zo wordt in een inventaris uit 1515 van de huisraad van Margaretha van Oostenrijk een altaarstuk genoemd, waarvan het middenpaneel door ‘Rogiers' is gemaakt en de luiken door ‘maistre Hans'. Dit suggereert dat de twee kunstenaars samen hebben gewerkt. Dit wordt bevestigd door de Italiaan Giorgio Vasari die in zijn Vite, de levensbeschrijvingen van verschillende kunstenaars, schrijft dat Memling een leerling of gezel van Van der Weyden is. Deze samenwerking heeft vermoedelijk tot het overlijden van Van der Weyden op 18 juni 1464 geduurd. Korte tijd later, in 1465, laat Memling zich als poorter inschrijven in Brugge.
Het feit dat Van der Weyden en Memling hebben samengewerkt blijkt niet alleen uit deze gegevens. Er zijn grote stilistische overeenkomsten tussen de vroege schilderijen van Memling en het werk van Van der Weyden. Eén van de vroegste schilderijen van Memling is de Crabbe-triptiek dat door de verschillende onderzoekers afwisselend eind jaren zeventig en 1472 wordt gedateerd. In de achttiende eeuw is dit drieluik uit elkaar gehaald en verdeeld geraakt over verschillende musea. De buitenzijden van de luiken, die de annunciatie uitbeelden, bevinden zich in de collectie van het Groeningemuseum in Brugge.

Deze annunciatie vertoont overeenkomsten met het linkerluik van Van der Weydens Columba-altaarstuk (Alte Pinakothek, München), dat eveneens de annunciatie uitbeeldt. Allereerst vallen de overeenkomsten in figuurtypen tussen de twee schilderijen op. In beide hebben Maria en de engel Gabriël een fijn gezicht, met een lange dunne neus, dunne wenkbrauwen, smalle lippen, brede ogen en een smalle kleine kin. Gabriël heeft in beide halflang golvend haar, dat door een diadeem met een kruisje strak om zijn hoofd wordt getrokken. Maria draagt telkens haar lange golvende bruine haren in een scheiding en houdt haar hoofd licht gekanteld. Ten tweede valt op dat de figuren in het schilderij uit München en de Brugse luiken precies dezelfde gebaren maken. Hoewel Gabriël in het werk uit München een kruis in zijn linkerhand houdt en in het Brugse werk een staf, maakt hij in beide werken met zijn rechterhand een zegenend gebaar. Maria houdt haar bijbel in haar linkerhand en houdt haar rechterhand omhoog, waarmee ze aangeeft dat ze de boodschap van Gabriël aanvaardt. Opvallend is ook dat de vleugels van Gabriël dezelfde vorm hebben en zelfs de sjerp die hij kruislings over zijn borst draagt in beide schilderijen is afgebeeld. Tenslotte vallen de overeenkomsten tussen de plooien van de gewaden in beide schilderijen op. De lange, brede plooien, die op de grond verder uiteen vallen, hebben een sterk driedimensionaal karakter.

Overeenkomsten in ondertekening met Van der Weyden

De stilistische overeenkomsten tussen de beide werken gaan echter nog verder dan op het eerste oog zichtbaar is. Door onderzoek met infraroodreflectografie (IRR) kan de ondertekening - de voorbereidende tekening van de kunstenaar op het paneel - zichtbaar worden gemaakt. De wijze van tekenen van beide kunstenaars is dezelfde: zij geven de vormen en de plooien met lange lijnen in penseel aan, waarna ze de schaduwen met nauwkeurig geplaatste arceringen vastleggen. De donkere schaduwen worden aangegeven met kruisarceringen. Memlings tekenstijl in de Crabbe-triptiek sluit dus nauw aan bij die van Rogier van der Weyden. Dit bevestigt wederom dat de kunstenaars in elkaars nabije omgeving hebben gewerkt. Later als Memling zijn ondertekeningen met een droog materiaal gaat aanbrengen, gaat hij sneller werken, waardoor zijn tekeningen losser worden. Ook komt het dan steeds vaker voor dat hij veranderingen tijdens het tekenproces aanbrengt.

Ondanks de grote stilistische overeenkomsten in verflagen en in de ondertekening van zijn vroege werken, is Memling nooit een slaafse navolger van Rogier van der Weyden geweest. De Annunciatie is bijvoorbeeld vernieuwend omdat het een ‘levende' grisaille is. Als nabootsing van de gebeeldhouwde altaarstukken was het in de vijftiende eeuw gebruikelijk geworden om op de buitenzijde van de luiken van geschilderde altaarstukken de voorstelling in grisaille uit te voeren. Memling borduurde voort op deze traditie, maar week er van af door de hoofden, handen, voeten, de staf, de lelie en de majolicavaas in kleur uit te werken, terwijl hij de kleding wel volledig wit hield. Hierdoor wekte hij de figuren tot leven.

Memling in Brugge

Memling was al spoedig na zijn vestiging te Brugge in 1465 één van de succesvolste kunstenaars van de stad. Dit blijkt onder andere uit de vroegste opdracht die van Memling nog bekend is. Het betreft het indrukwekkende Laatste Oordeel (Nationaal Museum, Gdansk), dat de Florentijn Angelo Tani in 1467 bij Memling bestelde. Dit altaarstuk dat in geopende toestand ruim 220 cm hoog en 300 cm breed meet, is één van Memlings grootste opdrachten en indrukwekkendste prestaties. Uit deze opdracht blijkt dat Memling al snel bekendheid genoot toen hij zich had gevestigd in Brugge. Dit kwam mogelijk voort uit zijn samenwerking met Van der Weyden.

De jaren zeventig waren waarschijnlijk Memlings meest voorspoedige jaren. Dit blijkt onder andere uit het feit dat hij genoemd wordt tussen de 247 rijkste burgers van Brugge die in 1480-1 hun oorlogslening aan Maximiliaan van Oostenrijk kregen terugbetaald. Deze voorspoed had Memling te danken aan de vele opdrachten die hij kreeg van leden van religieuze instellingen (zoals het Sint-Janshospitaal), van de gegoede burgerij en een enkele keer van de aristocratie. Zover bekend, heeft Memling nooit opdrachten van de Stad Brugge ontvangen.

Portretten

Hans Memling, Man met Romeinse munt, Koninklijk Museum Voor Schone Kunsten, Antwerpen.

In deze periode vormen de portretten één van de belangrijkste onderdelen van Memlings productie; één derde deel van het bewaarde oeuvre van de kunstenaar bestaat uit portretten. De populariteit van zijn portretten is waarschijnlijk te wijten aan de invulling die Memling gaf aan het bestaande portrettype. Memlings portretten vielen vooral bij Italiaanse opdrachtgevers in de smaak.

Een goed voorbeeld van deze portretkunst is een mansportret in de collectie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Het wordt in 1473-74 gedateerd. Een man die gekleed is in een zwarte mantel met witte kraag en een zwarte bonnet kijkt de beschouwer aan. In zijn hand houdt hij een munt en in het midden tegen de onderrand van het schilderij zijn enkele laurierbladeren afgebeeld. Hij zit voor een wijds uitgestrekt landschap, waarin enkel zwanen, een ruiter en een palmboom te onderscheiden zijn.

Hans Memling, Diptiek van Maarten van Nieuwenhove, 1487, Memling in Sint-Jan - Hospitaalmuseum, Brugge.

Het portret is in vele opzichten bijzonder. Allereerst valt de hoge kwaliteit en gedetailleerdheid, die typerend is voor Memlings portretten, op. Ten tweede is de man voor een landschap afgebeeld. Memling was één van de eerste kunstenaars die landschappen als achtergrond toevoegde aan de portretten. Het vergezicht versterkt het contrast tussen ver en dichtbij, waardoor een sterke ruimtesuggestie ontstaat. Daarnaast versterkt Memling het effect door de hand van de geportretteerde rechts onder in de hoek af te beelden. Hierdoor ontstaat de suggestie dat er ruimte tussen de geportretteerde figuur en het beeldvlak bestaat, waardoor ook in het voorplan een groot gevoel van diepte ontstaat. In enkele andere portretten, zoals het Diptiek van Maarten van Nieuwenhove (Memling in Sint-Jan - Hospitaalmuseum, Brugge), schildert Memling delen van de voorstelling op de lijst, wat een trompe l'oeil effect geeft. De lijst van het Antwerpse portret is verloren gegaan, maar het is heel goed mogelijk dat dit schilderij van oorsprong ook een lijst had waarop de voorstelling door liep.

Daarnaast heeft Memling in het Antwerpse portret de horizon in het midden van het beeldvlak geplaatst. Hierdoor ontstaat er een tweedeling in het vlak; het gedetailleerde, uitgewerkte hoofd is voor de monotone blauwe hemel afgebeeld, terwijl de sobere zwarte kleding voor het nauwkeurig uitgewerkte landschap is geplaatst. Hierdoor ontstaat een evenwichtige compositie die nergens saai is.

Over de identiteit van de afgebeelde man is veel gespeculeerd. De munt met de beeltenis in de hand, in combinatie met de laurierbladeren en de palmboom in het landschap hebben recent tot de suggestie geleid dat de Florentijn Bernardo Bembo is afgebeeld. Deze humanist had een grote muntenverzameling en gebruikte als embleem laurierbladeren en de palmboom. In 1473 verbleef hij in Brugge en heeft hij dus de gelegenheid gehad een portret bij Memling te bestellen. Deze identificatie, die erg aannemelijk is, toont dat Memling portretten schilderde voor de Italianen die in Brugge verbleven. Behalve dit portret zijn de Triptiek van Benedetto Portinari (Gemäldegalerie, Berlijn) en Portret van een man (Folco Portinari?) (Galleria degli Uffizi, Florence) hier eveneens voorbeelden van.

Eind jaren zeventig

Hans Memling, Triptiek van Jan Floreins, 1479, Memling in Sint-Jan - Hospitaalmuseum, Brugge.

Behalve de portretten kreeg Memling in de jaren zeventig ook grootschalige opdrachten. Eén van die opdrachten - de énige opdracht die nog uit documenten bekend is - betrof het schilderen van twee luiken bij een gesneden altaarstuk van het Librariërsgilde. Deze vleugels die rond 1479 zijn ontstaan, zijn helaas verloren gegaan. Uit 1479 stammen ook de enige twee werken die zowel gedateerd als gesigneerd zijn, namelijk het Johannesretabel en het Floreinstriptiek. Deze altaarstukken zijn beiden gemaakt voor de geestelijkheid van het Sint-Janshospitaal. Ook schilderde Memling in deze periode de Triptiek voor Adriaan Reins (1480), eveneens een geestelijke van het Sint-Janshospitaal. Later, in 1489, krijgt Memling ook nog de opdracht voor het Reliekschrijn van de heilige Ursula. Deze overvloed aan opdrachten van het Sint-Janshospitaal heeft wel eens tot de suggestie geleid dat Memling een bijzondere relatie had tot het hospitaal. Hiervoor is echter geen enkel bewijs.

Hans Memling, Ursulaschrijn, 1489,

Memling in Sint-Jan - Hospitaalmuseum,

Brugge.

Hans Memling, Johannesretabel, 1479, Memling in Sint-Jan - Hospitaalmuseum, Brugge.

De jaren tachtig

Hans Memling, Moreel-Triptiek, 1484, Groeningemuseum, Brugge.

Uit deze periode zijn maar weinig gegevens over Memling bekend. Het ging de kunstenaar in deze jaren minder goed dan in de voorafgaande jaren. Dit blijkt onder ander uit het feit dat Memling niet langer tot de geldschieters van Maximiliaan van Oostenrijk behoorde. Dit moet verklaard worden met de economische recessie die Brugge vanaf 1482/3 doormaakte. Veel kunstenaars hadden het in deze periode moeilijk en het is niet onwaarschijnlijk dat Memling het ook met minder opdrachten moest stellen. Wèl neemt Memling in 1480 en 1483/4 twee leerlingen aan, zo blijkt uit de archieven van het Sint Lucasgilde. Ook Michel Sittow is waarschijnlijk in deze periode leerling bij Memling geweest. Dit suggereert dat Memling in ieder geval voldoende werk had om meerdere mensen aan het werk te houden.

Hans Memling, Moreel-Triptiek (grisaille), 1484, Groeningemuseum, Brugge.

Aanwijzingen over Memlings doen en laten moeten naast deze spaarzame gegevens uit documenten dus wederom van de schilderijen komen. Eén van de belangrijke opdrachten die Memling in de jaren tachtig kreeg is de Moreel-Triptiek (Groeningemuseum, Brugge). Dit altaarstuk werd in 1484 besteld door de familie Moreel toen zij in de Sint Jacobskerk twee graven kregen toegewezen en toestemming kregen om een altaar te stichten. Vermoedelijk heeft Memling samen met één van zijn leerlingen aan dit schilderij gewerkt. In de figuren is duidelijk Memlings hand te herkennen, hoewel hij in de portretten van de stichters wel iets losser is gaan werken dan voorheen. Daarentegen geeft de uitwerking van het landschap een meer schematische indruk, dat er op wijst dat een leerling aan deze partijen heeft gewerkt.

Memlings laatste grote opdrachten

Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.

Tegen de tijd dat Memling dit altaarstuk voltooide, had hij waarschijnlijk zijn laatste drie grootschalige opdrachten al aangenomen. Het gaat om het Reliekschrijn van de heilige Ursula (Sint-Janshospitaal), het grootschalige Retablo Mayor voor de Santa Maria in Nájera, Spanje en de Triptiek met de Passie (Sankt-Annenmuseum, Lübeck). De laatste twee werken behoren, samen met het al eerder genoemde Laatste Oordeel in Gdansk en het Johannesretabel uit Brugge, tot de grootschaligste werken uit Memlings oeuvre. Opvallend is dat deze werken net als het Laatste Oordeel voor de buitenlandse markt heeft gemaakt en in het geval van het Lübeckse altaarstuk ook aanpaste aan de traditie op de plaats van bestemming. De Triptiek met de Passie schilderde Memling voor het altaar in de kapel van de familie Greverade in de Lübeckse kathedraal. Als enige werk in het oeuvre van Memling heeft het altaarstuk dubbele luiken. Dat houdt in dat het altaarstuk twee paar luiken heeft waardoor het op drie verschillende manieren kan worden getoond. Deze opbouw van het altaarstuk is waarschijnlijk op andere Lübeckse voorbeelden gebaseerd.

Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.

Het is daarentegen onduidelijk hoe het altaarstuk van Nájera er van oorsprong uit heeft gezien. Behalve de drie panelen met Christus met zingende en musicerende engelen (Retablo Mayor) (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen) die bewaard zijn gebleven, blijkt uit een achttiende-eeuwse dagboeknotitie dat de Hemelvaart van Maria en de heiligen Vitalis, Agricola, Prudentius en Benedictus waren afgebeeld. Gezien het feit dat het klooster gewijd was aan Onze-Lieve-Vrouwe hemelkoningin was de kroning van Maria waarschijnlijk ook afgebeeld. Hoewel de constructie van het altaarstuk niet duidelijk is, is wèl duidelijk dat het een erg groot altaarstuk moet zijn geweest. Alleen de Antwerpse panelen zijn al 165 cm hoog en meten samen al meer dan 670 cm breed. Het is dan ook zeer waarschijnlijk, alleen al vanwege de omvang, dat leerlingen hieraan hebben meegewerkt.

Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.

Navolgers van Memling

Als Memling op 11 augustus 1494 sterft, is hij een gevierd kunstenaar in binnen- en buitenland. Toch blijkt uit het feit dat hij op het kerkhof van de Sint Gilleskerk wordt begraven en niet in de kerk, dat hij niet tot de rijke elite behoorde. Zijn kunst, in stijl, composities en kleurgebruik, wordt door veel kunstenaars nagevolgd. Enkele van zijn directe navolgers zijn de anonieme kunstenaars die onder de noodnamen Meester van de Ursula-legende en de Meester van de Lucia-Legende bekend zijn. Van hen bevinden zich verschillende werken in de collecties van KMSKA en het Groeningemuseum. Daarnaast is de invloed van Memling ook in meer of mindere mate in het werk van Gerard David, Joos van Cleve, Quinten Metsys en Pieter Pourbus terug te vinden. Door de invloed die Memling op deze verschillende kunstenaars heeft uitgeoefend, kan gesteld worden dat Memling een bepalende rol heeft gespeeld voor de ontwikkeling van de Brugse schilderkunst.

Bibliografie

Maryan W. Ainsworth, ‘Hans Memling as a draughtsman', in: Dirk de Vos (ed.), Hans Memling, essays, Brugge 1994, pp. 78-87.
Maryan W. Ainsworth, ‘Spaarzame middelen, opmerkelijke resultaten. De schildertechniek van Memlings portretten', in: tent.cat. Portretten van Hans Memling, Till-Holger Borchert (ed.), Brugge 2005, pp. 92-111.
Till-Holger Borchert, 'Le dessin sous-jacent chez Memling', in: tent.cat. Hans Memling au Louvre, Parijs 1995.
Till-Holger Borchert, tent.cat. Portretten van Hans Memling, Brugge 2005.
Lorne Campbell, ‘Memling en de Oud-Nederlandse portrettraditie', in: tent.cat. Portretten van Hans Memling, Till-Holger Borchert (ed.), Brugge 2005, pp. 48-67.
Dirk de Vos (ed.), Tent.cat. Hans Memling, Brugge 1994.
Dirk de Vos, Hans Memling, Het volledige oeuvre, Antwerpen 1994.
Dirk de Vos, ‘Hans Memling', in: Dictionary of Art, Jane Turner (ed.).
Dagmar Eichberger, Leben mit Kunst, wirken durch Kunst, Turnhout 2002
Maximiliaan P. J. Martens, ‘De opdrachtgevers van Hans Memling', in: Dirk de Vos (ed.), Hans Memling, essays, Brugge 1994, pp. 14-29.
Maximiliaan P.J. Martens (ed), tent. cat. Brugge en de Renaissance, Van Memling tot Pourbus, 2 dln., Brugge 1998.
Paula Nuttall, ‘Memling en het Europese renaissanceportret', in: tent.cat. Portretten van Hans Memling, Till-Holger Borchert (ed.), Brugge 2005, pp. 68-91.
C. Périer-D'Ieteren, 'La technique de Memling et sa place dans l'evolution de la peinture flamande du XVe siècle', in: Dirk de Vos (ed.), Hans Memling, essays, Brugge 1994, pp. 67-77.
M. Rohlman, Auftragskunst und Sammlerbild. Altniederländische Tafelmalerei im Florenz des Quattrocento, Alfter 1994.
Michael Wolfson, ‘Den Duytschen Hans Memling and German panel painting of the mid-fifteenth century', Dirk de Vos (ed.), Hans Memling, essays, Brugge 1994, pp. 9-13.