Wie is wie?

De levensloop van de Vlaamse primitieven is soms moeilijk te reconstrueren. Er zijn slechts weinig archivalische bronnen uit de 15e en 16e eeuw bewaard gebleven. Eenduidige archiefbestanden zoals we die vandaag kennen zijn er al helemaal niet. Als er al archivalische bronnen zijn, dan zitten ze zeer verspreid over stedelijke en andere bestuurlijke archieven, archieven van kerken en kloosters. Vaak nam men het ook niet zo nauw met geboortejaren en andere data. Namen werden op verschillende wijzen gespeld en bepaalde gebeurtenissen werden pas na dato beschreven door chroniqueurs. Af en toe worden in oude rekenboeken van stadsbesturen, kerken, abdijen en kloosters betalingsbewijzen voor geleverde werken teruggevonden. En af en toe duikt de naam van een meester op in de ledenregisters van de gilden waarvan ze lid waren of de stervensregisters van de kerk of het genootschap waaraan ze huurgeld of lidmaatschapsbijdragen verschuldigd waren. Sommige meesters stonden op goede voet met de heersers uit hun tijd en kregen af en toe een belangrijke ambtelijke of politieke opdracht toegewezen.

Toch waren er in de 15e en vooral in de 16e eeuw humanistische schrijvers die het als hun taak zagen om te schrijven over kunstenaars en kunst. Vooral in Italië werd er heel wat neergepend over kunst. De humanist Bartolomeo Facio (1410 - 57) publiceerde al in 1456 zijn De viris illustribus met daarin biografieën van en commentaren op noordelijke kunstenaars. Ook de Venetiaanse edelman Marcantonio Michiel (1484 - 1552) schreef persoonlijke notities over de kunstcollecties in Noord-Italiaanse steden, waarin zich ook werken van schilders uit de Lage Landen bevonden. Zijn Notizie d'opere del disegno (1521 - 43) bevat heel wat nuttige informatie voor kunsthistorici. Marcantonio Michiel correspondeerde met een andere renaissancistische humanist: de Napolitaan Pietro Summonte (1463 - 1526). Hun briefwisseling helpt historici bij de reconstructie van de levenslopen van kunstenaars. Een brief van Summonte aan Marcantonio uit 1524 vermeldt verschillende werken van Nederlandse schilders die op dat moment in Napels aanwezig waren. Een van de belangrijkste bronnen voor de levensloop en werken van Italiaanse kunstenaars is de Vite (1550), gecompileerd en gepubliceerd door Giorgio Vasari (1511 - 74). Vele latere biografieën zijn gebaseerd op feiten die door Vasari aangehaald werden. Niet alles wat Vasari verkondigt is weliswaar correct. Lodovico Guicciardini (1521 - 1589) was een Italiaan die zich vanaf 1542 in Antwerpen vestigde. Zijn beschrijving van de Lage Landen werd gepubliceerd in 1567 en bevat een significante discussie over kunstenaars. Het is de eerste tekst die de Lage Landen als een geheel beschouwde.

Twee belangrijke, maar niet steeds accurate, bronnen gepubliceerd in de Lage Landen zijn de werken van Dominicus Lampsonius (1532 - 1599) en Karel Van Mander (1548 - 1606). De gravures van Lampsonius leveren ons portretten van vele Vlaamse kunstenaars uit de 15e en 16e eeuw. De portretten worden vergezeld van gedichten in het Latijn. Van Manders Schilder-Boeck uit 1604 is de vroegste, niet-Italiaanse overgeleverde compilatie van feiten over de levens van schilders in de Nederlanden. Van Mander nam de Vite van Vasari als voorbeeld en voegde er niet-Italiaanse schilders aan toe. Ook al is dit voornamelijk gebaseerd op mondeling overgeleverde anekdotes en niet op archivalisch materiaal, toch is dit werk een van de voornaamste bronnen voor weetjes over de levens van de Vlaamse primitieven. Vóór Van Mander trachtte een Gentse rechtsgeleerde en humanist, Dionysius Harduinus of Hardewijn (1530 -1605), informatie te verzamelen over de Vlaamse schilders. Hardewijns materiaal is verloren gegaan, maar hij werd wel door anderen als bron geciteerd. Zo vermeldt de Utrechtse jurist Arnoldus Buchelius (1565 - 1641) Hardewijns notities als bron in zijn Res Picturae, een reeks van aantekeningen over kunstenaars en kunstwerken. In 1641-44 werd het werk van Antonius Sanderus (1586-1664), een Vlaamse priester, gepubliceerd. Zijn Flandria illustrata was een beschrijving - in het Latijn-van de beroemdste mensen van het gebied Vlaanderen. Ook hij gebruikte de eerdere publicaties van Van Mander, Guiccardini en Hardewijn als bronmateriaal. In 1725 werd het werk in het Nederlands vertaald.

Mondjesmaat stelden historici van de bekendste meesters een beknopte biografie op. Niettemin is de levensloop van vele meesters onbekend gebleven, en is zelfs hun naam niet bekend. Naar deze anonieme meesters wordt dikwijls gerefereerd met een zogenaamde noodnaam. De noodnaam verwijst naar hun meest karakteristieke werk. In deze rubriek proberen we alvast een inzicht te geven in de levens van de bekendste meesters uit de Bourgondische Nederlanden.

Wilt u zelf de primaire bronnen raadplegen, dan zet deze lijst u op weg:

Een vroege en zeer volledige bundeling van bronnen per kunstenaar is Hans-Wolfgang von Löhneysen, Die ältere Niederlaändische Malerei: Künstler und Kritiker. Eisenbach, Roth, 1956. Verder werden de voornaamste primaire bronnen gebundeld in Wolfgang Stechow, Northern Renaissance Art 1400-1600. Sources and Documents. Englewood Cliffs, NJ, 1966 en in Carol M. Richardson, Kim Woods and Michael W. Franklin, Renaissance Art Reconsidered: An Anthology of Primary Sources. Oxford, Blackwell, 2007.

Een korte lijst met enkele relevante primaire bronnen met betrekking tot 15e en 16e-eeuwse kunstenaars:

Bartolomeo Facio (1410 - 1457), De viris illustribus (1456) gepubliceerd als Mehus, Laurentius. Bartholomaei Facii De viris illustribus liber: nunc primum ex. ms. cod. in lucem erutus. Florence: Ex typographio Joannis Pauli Giovannelli, 1745.
Marcantonio Michiel (1484 - 1552), Notizie d'opere del disegno (1521 - 43). Ongepubliceerd manuscript in de Biblioteca Marciana, Venetië. Voor meer info over de geschriften van Marcantonio Michiel zie Jennifer Fletcher, "Marcantonio Michiel: His Friends and Collection" The Burlington Magazine 123 No. 941 (August 1981:453-467) en "Marcantonio Michiel, 'che ha veduto assai'", The Burlington Magazine 123 No. 943 (October 1981:602-09).
Pietro Summonte (1463 - 1526) Zijn correspondentie met Marcantonio werd gepubliceerd in Fausto Niccolini, L'arte napoletana del Rinascimento, 1925.
Felipe de Guevara (1500 - 1563), Comentarios de la Pintura (1560) gepubliceerd door Antonio Ponz, Comentarios de la Pintura, Madrid: Don G. Ortega, 1788.
Giorgio Vasari (1511 - 1574), Vite de' più eccellenti architetti, pittori, et scultori italiani, da Cimabue insino a' tempi nostri (1550) gepubliceerd als Le vite de'più eccellenti pittori, scuttori e architetti. Florence: Lorenzo Torrentino, 1550. Enlarged ed., Florence: T. Giunti, 1568 en Lives of the Most Eminent Painters, Sculptures and Architects. Translated by Gaston du C. de Vere. 10 vols. London: Macmillan and the Medici Society, 1912-15.
Marc van Vaernewyck (1518 - 1569), Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghent 1566-1568 gepubliceerd door Ferdinand F.E. Vanderhaegen, Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghent 1566-1568, Gent, 1872 -81 en Die Historie van Belgis, dienem anders noemen mach:Den Spieghel der nederlandsche Oudtheydt, Gent, 1574. Ook te raadplegen via Digitale Bibliotheek voor Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=vaer003
Lodovico Guicciardini (1521 - 1589), Descrittione di Lodavico Guicciardini patrito fiorentino di tutti i Paesi Bassi altrimenti detti Germania inferiore (1567) gepubliceerd als Descrittione di m. Lodouico Guicciardini patritio fiorentino, di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania inferiore : con piu carte di geographia del paese, & col ritratto naturale di piu terre principali : con amplissimo indice di tutte le cose piu memorabili. Antwerp: Guglielmo Siluio, 1567, en in het Engels, The Description of the Low Countreys and of the Prouinces thereof, Gathered into an Epitome out of the Historie of Lodouico Guicchardini. London: Peter Short, 1593.
Dominicus Lampsonius (1532 - 1599), Pictorum aliquot celebrium Germaniae inferioris effigies (1572) gepubliceerd door Jean Puraye, Les effigies des peintres célèbs des Pays-Bas. Bruges: Desclée de Brouwer, 1956.
Karel van Mander (1548 - 1606), Het Schilderboeck (1604) gepubliceerd als Het Schilder-Boeck waer in voor eerst de leerlustighe Jeught den grondt der Edel Vry Schilderconst in verscheyden deelen wort voorghedraghen Daer nae in dry deelen t'leuen der vermaerde doorluchtighe Schilders des ouden, en nieuwen tyds Eyntlyck d'wtlegghinghe op den Metamorphoseon pub. Ouidij Nasonis Oock daerbeneffens wtbeeldinghe der figueren Alles dienstich en nut den schilders Constbeminders en dichters, oock allen staten van menschen. Haarlem: Passchier van Wesbusch, 1603-1604, 2nd ed., Amsterdam: Cornelis Lodewijcksz. Van der Plasse and Jacob Pietersz. Wachter, 1616-1618. Ook te raadplegen via Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php3?id=mand001.
Arnoldus Buchelius (1565 - 1641), Diarium Res Pictoriae, gepubliceerd in G.J. Hoogewerff en J.Q. Van Regteren Altena, ed. Arnoldus Buchelius "Res Pictoria". Aantekeningen over kunstenaars en kunstwerken voorkomende van zijn Diarium Res Pictoriae, notae quotidianae en desciptio Urbis Ultrajectinae. Quellenstudien zur holländischen Kunstgeschichte, 15. Den Haag, 1929.
Antonius Sanderus (1586-1664), Flandria illustrata, sive Desciptio comitatus istius per totum terrarum orbem celeberrini, eerste uitgave in 1641-44, gepubliceerd door Cornelis en Jean Blaeu in Amsterdam en in het Nederlands verschenen als Verheerlijkt Vlaandre: vertaling in het Nederduytsch, Leiden, 1725.